|
De sociaal-democratische visie op de binnenstad Wat wil de PvdA met de binnenstad? Dat is de vraag die het komende half jaar centraal staat. Het afdelingsbestuur zal een programcommissie instellen om die vraag in de vorm van een verkiezingsprogramma te beantwoorden. Maar om die vraag goed te kunnen beantwoorden kijken we eerst achterom naar wat er al is bereikt. Welke speerpunten hanteerde het vorige verkiezingsprogramma 2006-2010? De titel luidde Sociaal Evenwichtig Dynamisch. Een integraal en uitgebalanceerd beleid moest een evenwicht tot stand brengen tussen wonen, werken en recreëren en daarmee voor bewoners, bezoekers en ondernemers het beste uit de stad halen. Het program opende met een duurzame, veilige en schone openbare ruimte als een van de kernwaarden van de sociaal-democratische visie. Een visie met aandacht voor de zachte veiligheid, zoals de openbare ruimte, en de harde veiligheid, zoals de aanpak van criminaliteit. De PvdA-visie van het hand in hand gaan van zachte en harde veiligheid komt hier goed tot zijn recht. De lang gekoesterde wens om de gebouwen aan de Rode Loper met de vele, afzichtelijke reclames en vaak slechte staat van de panden aan te pakken zal – naar ik verwacht – dit en komend jaar toch echt in vervulling gaan. Gevelreclame zonder vergunning dient te worden verwijderd of aangepast. Voor reclame waarvoor in het verleden een vergunning is afgegeven, maar die niet meer in het nieuwe beleid past, geldt vanaf dit jaar duidelijke overgangstermijnen. Daar zat in het verleden de pijn. Als stadsdeel moesten wij aantonen dat winkels geen recht hadden op de reclame die zij voerden. Wat jarenlange juridische strijd opleverde met een ongewisse uitkomst. Nu is de bewijslast omgedraaid. Wel komen wij de winkeliers tegemoet. Bij vervanging of aanpassing van reclames draagt het stadsdeel bij met subsidies. Bij de economie en cultuur zocht het program eveneens naar evenwicht: niet alleen oog voor de grote economie en cultuur, maar ook en juist aandacht voor de kleine en diverse economie en cultuur als motor voor de werkgelegenheid, gezelligheid en levendigheid. Als voorwaarde voor een leefbare binnenstad gold verder passende evenementen, kwalitatief toerisme, gastvrije en bewonersvriendelijke horeca. Het uitgangspunt, dat de economie en cultuur in al zijn vormen en verscheidenheid de motoren voor de werkgelegenheid zijn, werd overgenomen. In postcodegebied 1012 zijn en gaan we daar enthousiast mee aan de slag. Op het Oostenburgereiland scheppen we voorwaarden om ambachtelijke en technologische bedrijven, nieuwe media, creatieve economie en nieuwe vormen van bedrijvigheid mogelijk te maken, die vanwege het geluid dat ze produceren elders in de binnenstad geen plek hebben. Maar ook de entertainment- en reclamebranche die vaak al goed op de grachten en in de plantagebuurt is vertegenwoordigd is van harte welkom. Daarnaast bekijken we de mogelijkheid van wonen aan de randen. Op de Wallen met Red Light Design, Red Light Art en Red Light Fashion en in de Spuistraat met de Tabakspanden proberen we voor kunstenaars, creatieve en culturele ondernemers en ambachtslieden plekken te creëren, die tevens het kwaliteitstoerisme bevorderden. Maar niet alleen op de Wallen willen we de culturele parels, zoals de Oude Kerk en de schuilkerk op Solder, laten schitteren ook het Mr. Visserplein en rond het Oosterdok zijn plannen om de culturele schatten als de beide Synagogen, de Hortus, de Film- en kunstakedemie, het OBA en het conservatorium een vooraanstaande rol te geven in de ontwikkeling van deze gebieden, zodat we straks kunnen spreken van twee nieuwe museumkwartieren – een groene en een blauwe – naast het museumkwartier in Oud-Zuid. Het nieuwe evenementenbeleid, dat sinds 1 januari 2008 van kracht is, dient het evenwicht verder. Centraal doel is een kwalitatief goed evenementenaanbod dat aansluit bij het belang van de binnenstad. Beschreven is aan welke kwaliteitscriteria evenementen moeten voldoen. Hierdoor zijn er meer evenementen mogelijk dan voorheen, maar niet allemaal op dezelfde plek zodat locaties en bewoners niet overbelast raken. Op horecagebied is veel nieuw beleid tot stand gebracht. Het eerste evenwicht op horecagebied is de combinatie tussen het genot van een terrasje en een toegankelijke openbare ruimte. Het oude terrassenbeleid was ondoorzichtig door de vele uitzonderingen. Bovendien werkte het rechtsongelijkheid in de hand. Uitgangspunt van het nieuwe beleid is een goede doorloopruimte van 1,5 meter, helder beleid en bij afwijkende omstandigheden maatwerk. Het nieuwe horecabeleidsplan maakt duidelijk waar in de Amsterdamse binnenstad (per gebied, buurt of zelfs straat) uitbreiding van openingstijden en oppervlakte van horeca mogelijk is, zonder de gevolgen uit het oog te verliezen voor het woon- en leefklimaat, openbare orde en veiligheid. Een tweede evenwicht dat is gerealiseerd. Ook bij de dienstverlening voor de horeca is een hoop gebeurd. Horecaondernemers dringen er al jaren bij de overheid op aan de regeldruk te beperken en de administratieve lasten te verlichten. Sinds de zomer van 2007 heeft het stadsdeel daarom een nieuwe werkwijze ingevoerd, het Horecaloket: een combinatie van internet, telefoon, e-mail, de horecabalie, speciale vergunningmanagers en gecoördineerde horecacontroles in plaats van verschillende instanties op verschillende tijden in het jaar met tegengestelde wensen en adviezen. Bij het verkeersbeleid stelde het program de voetganger voorop, gevolgd door de fietser, het openbaar vervoer en de auto. Dat is staand beleid geworden. Op het voor de PvdA belangrijke sociale vlak zocht het program eveneens naar een balans. Een sociale binnenstad van en voor iedereen met behoud van sociale huurwoningen, het tegengaan van misbruik, woningen boven winkels en een wooncarrière van jong naar oud. Behoud en herstel van monumenten en kinderveilige buurten met een emanciperende rol voor de wijkcentra en een homovriendelijke binnenstad, waren eveneens kernpunten uit het verkiezingsprogram. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat ik als stadsdeelvoorzitter weinig kan sturen op de woningvoorraad. Die bevoegdheid is per 1 januari 2008 grotendeels in handen van het College van B&W, dat aanbiedingsafspraken heeft gemaakt met de corporaties voor heel Amsterdam. Corporaties dienen ten minste 85% van hun huurwoningen aan te bieden aan inkomens tot de voormalige ziekenfondsgrens. Wel probeer ik corporaties te bewegen meer te doen voor de middeninkomens. Het Centrum kent vooral veel goedkope huurwoningen of heel dure huur- of koopwoningen daar tussenin zit te weinig. Dat is ook belangrijk voor degenen die de binnenstad niet willen verlaten en de sociale opbouw van het Centrum. Het moet mogelijk zijn in de binnenstad naar school te gaan, te studeren, te werken, een gezin te vormen en oud te worden. Van starterswoning tot serviceflat zeg maar. Op het weer bewoonbaar maken van voormalige woningen kan ik meer invloed uitoefenen. Tot 2010 dienen volgens de doelstelling uit het programakkoord 150 woningen boven bestaande bedrijfsgebouwen beschikbaar te komen. Uit een medio vorig jaar gepresenteerde tussenrapportage blijkt dat deze doelstelling ruimschoots wordt gehaald. Zo waren er halverwege 2008 al 90 woningen boven bedrijven gerealiseerd en zijn 34 woningen in uitvoering. Voor 11 woningen is een bouwvergunning afgeven en voor 36 woningen is een vergunning in aanvraag. Verder zijn er vergevorderde plannen voor de realisatie van 92 woningen boven bedrijven en een loopbrug om de woningen bereikbaar te maken. De actie zoeklicht is geïntensiveerd om woningmisbruik tegen te gaan en het monumentenbeleid hebben we aangescherpt. Monumenten zijn nu beter beschermd tegen illegale verbouw of sloop omdat de veroorzaker daadwerkelijk tot herstel wordt gedwongen. Daarnaast is er sinds mijn aantreden ook meer aandacht voor kinderen. Kinderen vormen vaak het cement van een buurt. Kinderen zorgen voor evenwicht en een ontspannen sfeer. Het toezicht op speeltuinen hebben we uitgebreid, meer en betere speeltuinen zijn er gekomen en veilige routes tussen school en thuis. De voorspellingen waren dat er steeds minder kinderen in de binnenstad zouden wonen. Gelukkig blijkt dat niet het geval. De basisscholen puilen uit. Bij het laatste kernpunt van het program, een bestuur dat niet over, maar met inwoners en ondernemers bestuurt en een bereikbare en transparante dienstverlening kent, hebben we ook vooruitgang geboekt. Niet alleen tijdens de formele inspraak is contact met de buurt; op alle niveaus, voorafgaand, tijdens en na afloop van projecten is overleg met de buurt – waar wenselijk en mogelijk ook interactief. Daarnaast gaat het dagelijks bestuur de wijken in om te luisteren en verantwoording af te leggen. Onlangs nog in de Oostelijke en Westelijke binnenstad. Afgelopen jaar heb ik binnen de organisatie de dienstverlening als extra belangrijke prioriteit bestempeld. Dit jaar moet dat verder merkbaar worden voor burgers en ondernemers. De laatste cijfers stemmen wat dat betreft positief, maar waakzaamheid is en blijft geboden. Kortom, er is veel bereikt maar er moet ook nog wel het een en ander gebeuren. Zeker nu de gevolgen van de recessie merkbaarder worden en de komende tijd zullen toenemen. Niemand weet wanneer het einde in zicht is en ook over de juiste maatregelen wordt uiteenlopend gedacht. Dat zorgt ervoor dat beleid soms ook moet worden bijgesteld. De afgelopen jaren was de druk op de binnenstad enorm. Het gevaar bestond dat het evenwicht tussen wonen, werken en recreëren uit balans zou raken. De commerciële belangen waren soms zo groot dat tegenwicht geboden was, want het is juist de balans tussen deze drie functies die Amsterdam zo aantrekkelijk maakt, zijn dynamiek en creativiteit geeft en de leef- en woonbaarheid zijn kwaliteit verleent. Alle drie de functies vullen elkaar aan, zodra een van de drie wordt bedreigd of wegvalt verliest de Amsterdamse binnenstad zijn meerwaarde en aantrekkelijkheid. Vanuit dat algemene belang dient de sociaal-democratische visie vorm en inhoud gegeven te worden. De huidige recessie zou de commerciële activiteiten wel eens naar de achtergrond kunnen drukken en daarmee de werkgelegenheid en levendigheid. Dat maakt de druk op het wonen weliswaar minder – de huizenprijzen kunnen best wat lager en de woon- en leefruimte kunnen gebaat zijn bij wat minder commercie – maar het mag niet ten koste gaan van de werkgelegenheid en de levendigheid. Ter wille van het evenwicht en dus de kwaliteit van Amsterdam zijn vanwege de veranderende omstandigheden misschien andere accenten nodig dan tijdens de afgelopen periode. Wat in elk geval blijvend onze aandacht verdient is de aanpak van het 1012-gebied en de kwaliteit en duurzaamheid van de openbare ruimte. De recessie mag dat niet bedreigen, dat zou zonde zijn. |
|---|